Vandaag wil ik een thema bespreken wat ik eerder heb aangekaart in besloten kringen om mij heen. Het betreft één van de fundamentele argumenten die er toe hebben geleid dat ik na een exploratie van het atheïsme weer terug ben gekomen bij het christendom. Hoewel er meerdere redenen zijn geweest begin ik vandaag met een vereiste om mijn geloof op te bouwen. Dat is: hoe weet ik dat de Bijbel het woord van God is? Om deze vraag te beantwoorden moet het aannemelijk worden dat de Bijbel niet door mensen is bedacht, maar geschreven, gestuurd of geïnspireerd is door God. Om hier eerlijk onderzoek naar te doen zal ik voor bewijzen vóór het christendom de christelijke literatuur en daarmee de Bijbel moeten kunnen gebruiken, mits dit wordt getoetst op interne logica. Geloven is uiteindelijk geen wetenschap, maar een oefening in vertrouwen. Voor vandaag dus de vraag: is religie van boven gegeven?
Het ontstaan van religie en natuurgoden
De exacte manier waarop religie en natuurgoden zijn ontstaan is nog onbekend. De meest aannemelijke theorieën stellen dat de eerste natuurgoden zijn bedacht als een hulpmiddel in de strijd tussen mens en natuur. In het vroege begin van de menselijke samenlevingen was de natuur de grootste vijand en belangrijkste partner. De natuur bracht gevaren, zoals roofdieren en ziektes, en benodigdheden, zoals water en voedsel. Hierdoor was de balans tussen mens en natuur scheef. Vroege mensen hadden een afhankelijke en angstaanjagende relatie met de natuur. In sommige aspecten lijkt het op de relatie die mensen met elkaar konden hebben. Het verschil zit hem in hoe je hiermee kan omgaan. Als je een probleem of iets nodig hebt van een mens kun je met mensen onderhandelen. Dit kan niet met de natuur. Vroege mensen hadden wel dit verlangen naar interactie en onderhandeling met de natuur. Tot dit doeleinde zouden natuurgoden zijn bedacht. Als je voor elk deel van de natuur een god hebt, kun je onderhandelen met de natuur. Een brandoffer voor de regengod is ineens een middel om droogte te verhelpen. Hoewel de moderne wetenschap ons heeft kunnen vertellen dat deze rituelen geen invloed hebben op de natuur, gaf het de mens iets wat ze nog niet hadden: een gevoel van controle. De mens kon door de goden invloed uit oefenen op de natuur om hen heen. Deze personificatie is duidelijk zichtbaar in de oude pantheons van de Grieken en Romeinen. Daar had vrijwel elke functie binnen de natuur een eigen god. Ook de overstap naar monotheïstische religies kan nog worden verklaard door deze theorie. Zo wordt gespeculeerd dat wanneer mensen meer controle kregen over de natuur om hen heen, de noodzaak voor goden voor elk doel afnam. De mens had namelijk minder reden om de goden op te zoeken. Om dit op te lossen zouden er niet meerdere, maar één god zijn die er was voor elk conflict. Zo kon je efficiënt toch onderhandelen over al je problemen. Deze wens voor versimpeling zou ook de reden zijn dat veel uitgebreide rituelen, zoals bijvoorbeeld brandoffers, geleidelijk minder voor komen. Al met al geeft deze meer antropologische verklaring een aannemelijk antwoord.
De plek van het christendom in de ontwikkeling van religie
Op basis van deze aannemelijke verklaring wil ik toelichten waarom ik vind dat het christendom niet binnen deze trend valt. De theorie veronderstelt drie belangrijke aspecten. Als eerste zijn goden een personificatie van de natuur of problemen die mensen hebben met de natuur. Ten tweede zijn goden bedoeld om mee te kunnen onderhandelen. Als laatste zijn de oplossingen die goden vroeger boden nu bewezen als niet werkend, mede door de ontwikkeling van de wetenschap. Naar mijn inzicht voldoet de god van het christendom niet aan deze eisen. Om dit toe te lichten zal ik enkele kenmerken van deze god benoemen. Het belangrijkste kenmerk in verhouding tot deze kwestie is de heiligheid. Om dit te kunnen zien zullen we in de Bijbel moeten kijken. Omdat we nu in de context praten zoals het in de Bijbel staat zal God vanaf hier geschreven worden als God en niet als god. In de Bijbel wordt veel gezegd over de heiligheid van God. Ik zal drie stukken toelichten. Deze zijn 2 Samuel 6:6-9, Jesaja 6:1-5 en Mattheüs 17:1-8. Hieronder de stukken zoals het geschreven staat in de Herziene Statenvertaling. Onder elk stuk zal ik duidelijk maken hoe dit de heiligheid van God laat zien.
2 Samuel 6:6-9
6. Maar toen zij bij de dorsvloer van Nachon kwamen, strekte Uzza zijn hand uit naar de ark van God en greep die, omdat de runderen struikelden. 7. Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Uzza, en God strafte hem daar om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf daar bij de ark van God. 8. David ontstak in woede, omdat de HEERE Uzza een zware slag had toegebracht, en hij noemde die plaats Perez-Uzza, tot op deze dag. 9. David was op die dag bevreesd voor de HEERE en zei: Hoe moet de ark van de HEERE bij mij komen?
Eerder wordt verteld dat de ark van God een object is waar God zelf in woont. Daartoe had God geboden dat niemand de ark mocht aanraken. In vers zes wordt verteld hoe Uzza de ark wilde redden van een val. In vers zeven laat God zien dat, zelfs met de beste bedoelingen, de regels van God niet gebroken mogen worden. Hiertoe maakte hij Uzza op slag dood. De heiligheid die rondom de ark bestaat beslaat de heiligheid van God.
Jesaja 6:1-5
1. In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn gewaad vulden de tempel. 2. Serafs stonden boven Hem. Ieder had zes vleugels: met twee bedekte ieder zijn gezicht, met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. 3. De een riep tot de ander: Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten; heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid! 4. De deurpinnen in de drempels schudden door de stem van hem die riep, en het huis vulde zich met rook. 5. Toen zei ik: Wee mij, want ik verga! Ik ben immers een man met onreine lippen en woon te midden van een volk met onreine lippen. Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de HEERE van de legermachten, gezien.
Jesaja schrijft hier hoe hij een verbeelding van God zelf ziet. Naast dat in deze verbeelding al wordt genoemd hoe heilig God is door de serafs, wat engelen betekent. Daarnaast lees je hoe de mens Jesaja na het zien van God hij het gevoel heeft dat hij vergaat. De reden hiervoor is dat hij zijn eigen tekortkomingen kan inzien na het zien van God. Dit kan een mens alleen zien wanneer God heiligheid dusdanig bezit dat hij het uitstraalt.

Mattheüs 17:1-8
1. En na zes dagen nam Jezus Petrus en Jakobus en Johannes, zijn broer, met Zich mee en bracht hen op een hoge berg, alleen hen. 2. En Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd; Zijn gezicht straalde als de zon en Zijn kleren werden wit als het licht. 3. En zie, aan hen verschenen Mozes en Elia, die met Hem spraken. 4. Petrus antwoordde en zei tegen Jezus: Heere, het is goed dat wij hier zijn; laten wij, als U wilt, hier drie tenten maken, voor U een, voor Mozes een, en een voor Elia. 5. Terwijl hij nog sprak, zie, een lichtende wolk overschaduwde hen; en zie, een stem uit de wolk zei: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; luister naar Hem! 6. En toen de discipelen dit hoorden, wierpen zij zich met het gezicht ter aarde en werden zeer bevreesd. 7. En Jezus kwam bij hen, raakte hen aan en zei: Sta op en wees niet bevreesd. 8. Toen zij hun ogen opsloegen, zagen zij niemand dan Jezus alleen.
Dit is een van de mooiste momenten in de relatie tussen Jezus en de Vader. De Vader, hier afgebeeld als een lichtende wolk, komt tot de mensen. Deze mensen schrikken hier dusdanig van dat zij zichzelf tot de aarde moeten werpen. Dit is zelfs na het zien van de mens Jezus die veranderd van gedaante en hoe Mozes en Elia, die allang zijn overleden, wandelen op de berg. Zelfs na dat gezien te hebben zijn de discipelen zo bevreesd voor de lichtende wolk, dat enkel een weerspiegeling is van de Vader, dat zij zich dan naar de aarde werpen. We zien hier ook hoe de mens Jezus de afstand tussen de mensen en God overbrugt door de discipelen zijn liefde, en daarmee de liefde van God, te laten zien.
Wat al deze stukken hopelijk duidelijk maken is dat binnen het christendom God als heilig wordt gezien. Deze heiligheid komt met andere attributen, zoals oneindigheid groot, eeuwig bestaand en altijd hetzelfde. Dit wordt ook zo benoemd in kerkelijke doctrines, zoals in de Nederlandse geloofsbelijdenis:
1 Wij geloven allen met het hart en belijden met den mond dat er is een enig en eenvoudig geestelijk Wezen, Hetwelk wij God noemen: eeuwig, onbegrijpelijk, onzienlijk, onveranderlijk, oneindig, almachtig; volkomen wijs, rechtvaardig, goed, en een zeer overvloedige Fontein van alle goed.
Een belangrijk iets om op te merken: God wordt omschreven als een bron van goed én als rechtvaardig. Toch lezen we in de bijbel meermaals dat God mensen ten dode berecht. Hierboven is dit zelfs nog langs gekomen. Dit leert ons iets over hoe God zich verhoudt met ons als mensen. Mensen zijn volgens God niet waardig om te leven. Dit leert ons dan weer over hoe het christendom past in de theorie zoals de in de eerste paragraaf is geschreven. Ter herhaling: een god moest een duidelijk doel hebben in de relatie tussen mens en natuur en toegankelijk zijn. De god zoals die in de bijbel beschreven voldoet hier totaal niet aan. In tegendeel; de god uit de bijbel levert méér problemen op voor mensen dan het oplost. Nergens wordt omgeschreven dat de god uit de bijbel op welke manier dan ook kan bemiddelen tussen mens en natuur, terwijl het wel de druk legt op mensen om zich te gedragen op een manier die niet altijd gunstig is voor mensen. De manier waarop de god uit de bijbel werkt is compleet tegenstrijdig met de antropologische verklaring van de ontwikkeling van religie. Met deze informatie durf ik daarom te geloven dat het christendom, zoals het beschreven staat in de bijbel, geen verzinsel kan zijn van mensen maar van boven moet zijn gekomen. Dit vereist van mij nog steeds iets wat normaliter niet valt onder de logica, namelijk geloof. Toch is dit voor mij geen probleem. Integendeel, ik zie mijn geloof in het christendom als een verlenging van mijn geloof in andere mensen. De waarde die ik hecht aan het kunnen vertrouwen op mensen is voor mij zo veel dat ik hierom ook geen bezwaren heb tegen geloven. Daarbij blijft het belangrijk om ook met elkaar te kunnen blijven praten over waarom je wel of niet gelooft. Zo lang als dat we samen kunnen verantwoorden waarom we dingen geloven, wat is dan het grote probleem?
Zeverdung